één jaar opdolven, verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars, en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe, en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd "het distrikt ven den groote koperberg" genoemd.
Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en den berg te doen springen. 't Is altijd een zwaar, moeielijk werk erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig wilde doen.
Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen die vogelvrij door de bosschen zwierven meegedeeld, dat ze vergiffenis voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun wilden worden.
In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen, waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop het te vinden.
Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen die beide knechts in een wak en verdronken. Toen herinnerde men zich