Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/267

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

de oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was, wat de mannen hadden gevonden.

Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen al de mijneigenaars zich voor buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren, en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde, dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, en dronk, danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten, en werd door en van de drinkebroers doodgestoken.

Uit den grooten koperberg werd steeds zoo'n massa erts gehaald, dat de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving; en de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd, dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen om de mijn te bezoeken, en haar roemden, als het geluk van de schatkamer van het rijk.

Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die oude mijn te voorschijn was gekomen, is 't geen wonder dat zij, die geloofden, dat een koperschat — dubbel zoo groot — in de buurt was, er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij.

Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen: maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde wonen, waar de rook uit de smelten droogovens zoo zwaar en drukkend over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht.

De jongen man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en hij had er nooit aan gedacht, dat he moeilijk wezen kon daar te leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware, verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heele