Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/268

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

stad in mist. De rook belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden.

Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder dan hij al was. Hij wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over te denken, waar hij liep.

Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in het ongeluk had gestort, en hij werd bang.

"Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt," dacht hij. "Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden heb."

Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar vroeger had gezien.

"Ik zou wel eens willen weten, wat je in 't bosch hebt uitgevoerd," zei ze. "Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven."

"Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!" antwoordde de mijneigenaar, "want het meisje, waar ik van houd, wil niet in Falun wonen."

"Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo pas gevonden hebt?" vroeg ze verder.

"Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar, die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen."

"Ja, houd nu maar woord," zei de vrouw. "Dan zal je geen kwaad overkomen."

Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad, er niets op tegen bij hem te komen wonen."

Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met groote snelheid gebruikt.

"Nu, en hoe ging het verder?" vroeg hij, ten de raaf zweeg.

"Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heele