streek is vol oude mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. 't Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden."
"Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was, die het zag," zeide de jongen.
"Ik zal je zeggen, wie het 't laatste gezien heeft, als je een gat in den muur hebt gemaakt, en mij bevrijd," zeide de raaf.
De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond, dat Bataki dat op een vreemden beteekenisvollen toon zei. 't Klonk bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf, de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis met een bepaalde bedoeling vertel?
"Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven," zei de jongen, om wat meer licht in de zaak te krijgen. "Je hebt zeker wel een en ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde."
"Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar klaar was met je werk," antwoordde de raaf.
De jongen begon met zoo'n ijver te hakken, dat de splinters om hem heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel had gevonden.
"'t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier kunt hebben van de schat, dien je hebt gevonden," zei hij.
"Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden," zei de raaf.
De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende, dat hij Bataki's bedoeling gemakkelijk kon begrijpen.
De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was 't zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat was 't waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen 't geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op 't kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen: "Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is." En ze zouden hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd.
"Zoudt u niet graag op zoo'n mooie plaats woonen?" zou hij dan zeggen.
"Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons," zouden ze antwoorden.