Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/270

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen," zou hij dan zeggen.

De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij 't heele Takermeer koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij...

"Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt," zei de raaf.

"Ik geloof, dat het gat al groot genoeg is."

Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder.

"Nu zal ik mijn belofte houden. Duimelot," zei Bataki heel plechtig, "en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost, eer ik het te weten kwam."

"Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat ik je uit je gevangenschap heb bevrijd," zei de jongen.

"Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van het broederdeel vertelde," zei Bataki. "Anders zou je zooiets zeker niet hebben verwacht. Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden."

Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang, eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond, dat hij niets meer had om zich op te verheugen.

"Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is," zei hij in zich zelf. "En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader midden in 't woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof, dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet konden uithouden. Want zoo voel ik het nu."