Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/271

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

XXVI.

DE OVERSTROOMING.



Dagen lang was het een vreeselijk weer ten noorden van 't Mälermeer. De hemel was effen grijs, de wind huilde, en de regen zwiepte tegen de ruiten. Menschen en dieren wisten, dat zonder dit de lente niet komen kon, maar ze vonden toch, dat het bijna niet uit te houden was.

Toen het een dag geregend had, begonnen de sneeuwmassa's in de dennenbosschen eerst goed te smelten, en de lentebeken kwamen in beweging. Alle waterplassen op de hoeven, het modderige water binnen de dijken, het water, dat opborrelde tusschen de graszoodjes in, moerassen en plasjes, alles kwam in beweging, en probeerde den weg te vinden naar de beken, om meê te komen naar zee. De beken snelden zoo hard mogelijk naar de Mälerrivieren, en die deden hun best om de watermassa's naar 't Mälermeer te brengen. Maar toen wierpen alle kleine meertjes in Uppland en in de mijndistrikten op één en denzelfden dag al hun ijsdeksels af, zoodat de rivieren met ijsstukken werden gevuld, en snel tot aan hun oevers stegen. Op die manier vergroot, wierpen de rivieren zich in 't Mälermeer, en het duurde niet lang, of dat had zooveel water als het bergen kon. In 't meer ontstond een heftige strooming naar den eenigen afloop, dien 't had, maar dat was een nauwe uitweg, en die kon het water niet zoo snel afvoeren, als noodig was. Bovendien blies er een sterke oostenwind, zoodat het zeewater naar land gestuwd werd, en de stroomen in den weg stond, toen ze hun zoet water in de Oostzee wilden storten. En toen nu de rivieren onophoudelijk met nieuw water aankwamen, tot de Mäler en de stroomen het niet meer konden afvoeren, stond er niet anders te doen voor het groote meer, dan buiten zijn oevers te treden.

Het steeg heel langzaam en als met tegenzin, om zijn mooie oevers niet te schaden. Maar omdat die bijna overal laag en langzaam hellen zijn, duurde het niet lang, of het water was ver-