Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/274

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"Je hebt wel gelijk, dat we anders vijanden zijn," sprak Smirre met zachte stem, "maar als er zoo'n groote nood in 't land heerscht, moet men elkander helpen. Je hoeft in ieder geval niet aan Akka te vertellen, dat je die boodschap van een vos kreeg, want ze is wel wat wantrouwend."



DE ZWANEN IN DE HJÄLSTABAAI.

Het veilige toevluchtsoord voor zwemvogels, dat in de buurt van het Mälermeer gevonden wordt, is de Hjälstabaai, die vlakke oevers heeft, ondiep water, en een massa biezen, juist als het Takermeer. Het is op verre na niet zoo groot als dat beroemde vogelmeer, maar toch is 't een voortreffelijk tehuis voor vogels, omdat zij daar al jaren lang beschermd worden. 't Is namelijk een woonplaats voor een groot zwanenvolk, en de eigenaar van de oude koningshoeve, die daar in de nabijheid ligt, heeft alle jacht in de baai verboden, opdat de zwanen niet verontrust of gestoord zullen worden.

Zoodra Akka de boodschap had gekregen, dat de zwanen haar hulp noodig hadden, was ze dadelijk naar de Hjälstabaai gegaan. Ze kwam daar met den troep tegen den avond, en zag dadelijk, dat er groote ongelukken waren gebeurd. De groote zwanennesten waren losgerukt, en dreven in den sterken wind over 't water. Enkele nesten waren al uit elkaar geslagen, een paar omgevallen, en de eieren, die er in geweest waren, lagen te glimmen op den bodem van de baai.

Toen Akka in de baai neerstreek, waren alle zwanen, die daar woonden, bijeen op den oostelijken oever, waar ze 't best tegen den wind waren beschut. Hoewel ze veel door de overstrooming geleden hadden, waren ze veel te trotsch om eenig verdriet te toonen.

"'t Geeft niet of men al treurt," zeiden ze. "Er zijn wortels en stengels genoeg. We kunnen gauw genoeg nieuwe nesten bouwen."

Geen van hen had er aan gedacht de hulp van een vreemde in te roepen, en ze hadden er ook geen flauw vermoeden van, dat Smirre een boodschap naar de wilde ganzen had gezonden.

Daar waren er eenige honderden, en ze lagen naar rang en stand: de jongen en onervarenen in de buitenste kringen, de ouden en verstandigen verder naar binnen. In het midden lag Dagaklar, de zwanenkoning, en Sneeuwrust, de zwanenkoningin, die ouder dan alle anderen, en de voorouders van de meeste zwanen waren.

Dagaklar en Sneeuwrust konden nog van de dagen spreken,