dat zwanen van hun stam nergens als wilden leefden in Zweden, maar alleen als tamme zwanen in sloten en vijvers voorkwamen. Maar toen was een paar zwanen losgebroken uit hun gevangenschap, en had zich neergezet in de Hjälstabaai, en van hen stamden alle zwanen af, die daar woonden.
Nu in dezen tijd waren er wilde zwanenvolken in vele inhammen van 't Mälermeer, en ook in 't Takermeer en 't Hornoborgameer. Al die nieuwelingen waren uit de Hjälstabaai gekomen, en de zwanen, die daar woonden, waren er zeer trotsch op, dat hun familie zich zóó uitbreidde; van het eene meer naar het andere.
De wilde ganzen waren neergedaald aan den westeroever, maar toen Akka zag, waar de zwanen lagen, begon ze dadelijk op hen toe te zwemmen. Zelf was ze er heel verbaasd over, dat ze haar hadden laten roepen, maar ze vond dat een eer, en wilde geen oogenblik verzuimen, waarin ze hen konde helpen.
Toen Akka in de nabijheid van de zwanen kwam, hield ze op om toe te zien, of de ganzen achter haar wel in een rechte lijn en met gelijke tusschenruimten zwommen.
"Zwem nu flink en vlug," zei ze. "Kijk niet naar de zwanen, alsof je nog nooit zooiets moois hadt gezien, en stoor je niet aan wat ze tegen je zeggen."
't Was niet voor 't eerst, dat Akka dit oude, voorname zwanenpaar bezocht, en altijd hadden ze haar ontvangen op een wijze waarop een aanzienlijke en bereisde vogel recht had. Maar ze vond het niet prettig tusschen al die zwanen door te zwemmen, die om hen heen lagen. Nooit voelde zij zich zoo klein en grauw, als wanneer ze tusschen zwanen in raakte, en de een of de ander zei ook gewoonlijk een paar woorden over grauwtje en de arme luidjes. Maar het was het verstandigst te doen, of je dat niet hoorde.
Dezen keer scheen alles bizonder goed te gaan. De zwanen gingen heel kalm opzij, en de wilde ganzen zwommen door als door een straat, omzoomd met groote, glinsterend witte vogels. 't Was mooi te zien, hoe ze daar lagen, en de vleugels uitspanden als zeilen, om zich goed voor te doen aan de vreemde bezoekers. Ze maakten geen enkelen aanmerking, en Akka was er heel verbaasd over.
"Dagaklar heeft zeker hun ongemanierdheid opgemerkt, en hun gezegd, dat ze beleefd moeten zijn," dacht de leidstergans.
Maar juist terwijl de zwanen zoo hun best deden heel welgemanierd te zijn, kregen ze den witten ganzerik in 't oog, die achteraan kwam in de lange ganzenrij. Daar ging een verwonderd en verontwaardigd suizen door 't gezelschap, en op eens was het uit met de goede manieren.
"Wat is dat?" riep een van hen. "Zijn de wilde ganzen van plan witte veeren te gaan dragen!"