Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/279

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

De mannen waren gauw bij de kleine hoeven, en gingen samen naar een van de huizen. De jongen was van plan geweest meê naar binnen te gaan, maar toen hij aan de stoep kwam, had hij een grooten, prachtigen, langharigen kettinghond zien springen uit zijn hok om zijn meester te begroeten. Toen veranderde de jongen snel zijn plan, en bleef buiten staan.

"Luister eens, kettinghond!" zei de jongen zacht, zoodra de mannen de deuren hadden gesloten. "Zou je me willen helpen om vannacht een vos te vangen?"

De hond had slechte oogen, en was driftig en nijdig geworden, doordat hij zoolang gebonden had gestaan: "Zou ik een vos moeten vangen," blafte hij boos. "Wat ben jij voor een snaak, dat je me hier voor den gek komt houden. Kom maar eens onder mijn bereik, dan zal ik je die gekheid wel afleeren!"

"Denk maar niet, dat ik bang ben om bij je te komen," zei de jongen, en sprong naar den hond toe. Toen die hem zag, was hij zóó verbaasd, dat hij geen woord kon zeggen.

"Ik ben het, die Duimelot wordt genoemd, en ik reis rond met de wilde ganzen," zei de jongen. "Heb je nooit van mij gehoord?"

"Nu en dan hebben de musschen wel over je getjilpt," zei de hond. Je schijnt groote dingen te hebben gedaan, zoo klein als je ben."

"Tot nu toe gaat het tamelijk goed," zei de jongen. "Maar nu is het met mij gedaan, als je me niet wilt helpen. Een vos zit me op de hielen. Hij staat op me te loeren daar om den hoek."

"Ja, zoowaar, ik ruik hem al!" zei de hond. "Dien zullen we wel gauw wegjagen."

En de hond holde weg, zoover zijn ketting reikte, en blafte en huilde een heele poos.

"Nu denk ik niet, dat hij van nacht weer terug zal komen," zei de hond.

"Er is meer noodig dan een beetje geblaf, om dien vos bang te maken," zei de jongen. "Hij komt gauw weer terug, en dat zou ook maar goed zijn, want ik heb nu al met mezelf uitgemaakt, dat jij hem gevangen nemen moet."

"Begin je mij nu weer voor den gek te houden?" zei de hond.

"Kom nu maar met mij in je hok, zoodat de vos ons niet hooren kan," zei de jongen, "dan zal ik je zeggen wat je doen moet."

De jongen en de hond kropen in het hok, en lagen daar een poos te fluisteren.

Na eenigen tijd stak de vos zijn kop om den hoek, en toen alles stil was, kwam hij zacht de plaats binnen. Hij volgde al snuffelend het spoor van den jongen, tot bij het hondenhok, en ging op een afstand daarvan zitten nadenken, hoe hij hem