uit het hok zou lokken. Op eens stak de hond den kop naar buiten, en bromde:
"Ga weg. Anders pak ik je!"
"Ik zal hier voor jou niet weggaan, eer ik zelf wil!" zei de vos.
"Ga weg!" zei de hond nog eens op dreigenden toon. "Anders ben je van nacht voor 't laatst op de jacht geweest."
Maar de vos lachte hem uit, en bleef zitten.
"Ik weet wel hoever je ketting reikt."
"Nu heb ik je twee keer gewaarschuwd," zei de hond, en kwam uit het hok. "Nu moet je maar oppassen."
Meteen wierp hij zich met een grooten sprong op den vos, en pakte hem heel gemakkelijk. Want hij was los: de jongen had zijn halsband losgemaakt.
Een oogenblik vochten ze samen, maar de strijd was gauw beslist. De hond bleef overwinnaar, de vos lag op den grond, en durfde zich niet bewegen.
"Houd je nu stil," zei de hond. "Anders bijt ik je dood."
Hij nam den vos bij den nek, en sleepte hem naar zijn hok, en daar kwam de jongen met den hondenketting aan, en legde den halsband twee keer om den hals van den vos. Toen trok hij hem zoover aan, dat hij goed vast zat. En de vos moest stil blijven liggen, en durfde zich niet verroeren.
"Nu hoop ik, Smirre, dat je een goede kettinghond zult worden," zei de jongen, toen hij klaar was.