XXVII.
IN UPPSALA.
DE STUDENT.
In den tijd toen Niels Holgersson door het land trok met de wilde ganzen, was er in Uppsala een buitengewoon flinke jonge student. Hij woonde op een klein dakkamertje, en was zoo zuinig, dat de menschen zeiden, dat hij van den wind leefde. Studeeren was zijn lust en zijn leven, en hij kwam vlugger vooruit dan al de anderen. Maar hij was daarom toch geen blokker of suffer, hij had er ook slag van met zijn kameraden plezier te maken. Hij was juist, zooals een student behoort te zijn. Hij had geen ander gebrek, dan dat het aan hem te merken was, dat alles hem mêeliep. Maar dat kan den besten gebeurden. 't Is niet zoo gemakkelijk voorspoed te dragen.
Op een morgen, toen de student juist wakker was geworden, lag hij erover te denken, hoe goed hij het toch had.
"Alle menschen houden van mij, mijn kameraden en mijn leeraars," zei hij in zichzelf. "En wat gaat het toch prachtig met mijn studie! Vandaag moet ik voor het laatst naar mijn tentamen, en dan ben ik gauw klaar. En als ik maar op tijd klaar ben, krijg ik dadelijk een betrekking met een groot tractement. 't Is merkwaardig, zooals alles me meeloopt. Maar ik doe ook zoo mijn best, dat het niet anders dn goed en gelukkig met me kan gaan."
De studenten in Uppsala zitten niet in een schoolkamer om samen te leeren als schoolkinderen, maar ze studeeren ieder apart thuis op hun kamer. Als ze met een onderwerp klaar zijn, gaan ze naar hun professoren, en die nemen hun een examen af over het heele onderwerp tegelijk. Zulk een examen wordt "tentamen" genoemd, en 't was juist het laatste en 't moeilijkste, dat de student dien dag doen moest.
Zoodra hij gekleed was, en ontbeten had, ging hij aan zijn