eer hij het laatste blad gelezen had. Toen hij het uit had, was hij heel tevreden.
"Zie eens!" zei hij. "Dat is een drommels knappe vent. Als dit boek uitkomt, is zijn naam gemaakt. 't Zal heerlijk zijn, hem te vertellen, wat dat voor een mooi stuk werk is!"
Hij nam alle losse bladen, waaruit het handschrift bestond, bij elkaar, en schikte ze weer in volgorde op de tafel. Terwijl hij daarmeê bezig was, hoorde hij de klok slaan.
"Lieve hemel! 't Is al tijd om naar den professor te gaan," zei hij, en liep haastig de kamer uit om zijn zwart pak te halen, dat in een kamertje op den zolder hing. Zooals het dikwijls gaat, als men haast heeft: slot en sleutel waren onwillig, en het duurde een poosje, eer hij weer terugkwam.
Toen hij op den drempel stond, gaf hij een schreeuw. In de haast had hij de deur open laten staan, toen hij heenging, en het venster waar de schrijftafel voor stond, was ook open. Er was een hevige tocht ontstaan, en nu zag de student de losse bladen van het handschrift door het venster naar buiten dwarrelen. Hij was met een sprong bij de tafel, en legde da hand op de papieren, maar er was niet veel meer van te redden. Nog maar een tien of twaalf lagen op de tafel. Al de andere dansten in den wind over huizen en daken.
De student boog zich over de vensterbank, en zag de papieren na. Een zwarte vogel zat op het dak buiten 't dakvenster, en zag hem spottend plechtig aan.
"Is dat niet een raaf?" dacht de student. "Men zegt immers, dat een raaf ongeluk voorspelt."
Hij zag enkele papieren op het dak liggen, en zeker had hij ten minste een gedeelte van het verlorene nog kunnen redden, als hij zijn tentamen niet had gehad om aan te denken; Maar hij meende, dat hij allereerst voor zijn eigen zaken moest zorgen.
"Het gaan hier om mijn heele toekomst," dacht hij.
Hij trok gauw zijn andere kleeren aan, en liep zoo hard hij kon naar zijn professor. Onderweg dacht hij aan niets anders, dan aan het verloren handschrift.
"'t Is een ellendige geschiedenis," dacht hij. "'t Was ook ongelukkig, dat ik het zoo druk had."
De professor begon hem vragen te doen, maar hij moest maar aldoor aan dat verloren handschrift denken.
"Wat zei de stumper ook weer?" dacht hij. "Had hij niet vijf jaar aan dat boek gewerkt, en had hij nu geen kracht meer om het over te schrijven? Ik weet niet, hoe ik hem zal durven zeggen, dat het weg is."
Hij was zóó vol van wat er gebeurd was, dat hij zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Al zijn kennis was spoorloos verdwe-