Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/284

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

nen. Hij hoorde niet, wat de professor vroeg, en wist heelemaal niet wat hij zelf antwoordde. De professor was verstomd over zoo'n onwetendheid, en kon niet anders dan hem laten druipen.

Toen de student weer buiten kwam, voelde hij zich diep ongelukkig.

"Nu krijg ik mijn betrekking niet," dacht hij, "en dat is de schuld van dien overblijver. Waarom moest hij ook juist vandaag met het handschrift komen! Maar zoo gaat het, als men behulpzaam is."

Op hetzelfde oogenblik zag de student den jongen man, aan wien hij dacht, aankomen. Hij wilde er niet over spreken, dat het handschrift verloren was, eer hij een poging had gedaan om het terug te krijgen, en was van plan hem voorbij te loopen. Maar de ander liep daar bekommerd en ongerust, en wilde graag weten, wat de student van zijn boek zou zeggen. En toen hij hem voorbij zag loopen met een niet al te vriendelijk knikje, werd hij heel angstig. Hij klopte den student op den arm, en vroeg hem of hij iets had gelezen.

"Ik heb tentamen gehad," zei de student, en wilde snel doorloopen. Maar de andere meende, dat hij hem ontwijken wilde, om niet te hoeven zeggen, dat hij niet met zijn boek was ingenomen. 't Was hem, alsof zijn hart zou breken, omdat het werk, waar hij vijf jaar lang meê bezig was geweest, niet deugde, en hij zei tegen den student in zijn groot verdriet!

"Onthoud nu wat ik je zeg. Als mijn boek niet deugt, wil ik het niet meer zien. Lees het zoo gauw je kunt, en zeg me, wat je er van vindt. Maar als het niet deugt, moet je 't verbranden. Dan wil ik het niet meer zien."

Hij liep haastig door. De student zag hem na, alsof hij hem had willen terugroepen, maar hij bedacht zich, en ging naar huis.

Daar trok hij haastig zijn daagsche kleeren aan, en liep rond om naar het handschrift te zoeken. Hij zocht in de straten, op de markt en in het plantsoen. Hij ging de binnenplaatsen in, en liep zelfs tot buiten de stad. — Hij kon geen enkel blad vinden.

Toen hij op die manier een poos was doorgegaan, kreeg hij zoo'n honger, dat hij moest gaan eten. Maar aan tafel ontmoette hij alweer den overblijver. Deze kwam dadelijk naar hem toe, om iets van zijn boek te hooren. "Ik kom van avond bij je, om erover te praten," zei de student knorrig en stug. Hij wilde niet bekennen, dat hij het verloren had, vóór hij er heelemaal zeker van was, dat het niet kon worden teruggevonden. De andere werd lijkbleek.

"Denk er maar aan, dat je het moet vernietigen, als het niets waard is," zei hij en ging heen. Hij was er nu heel zeker van, dat de student niet over zijn werk tevreden was.

De student liep weer haastig de stad in, en bleef zoeken, tot