het heelemaal donker was, zonder iets te vinden. Toen hij op weg naar huis was, kwam hij een paar kameraden tegen.
"Waar heb jij gezeten, dat je niet op ons lentefeest was?" vroegen ze.
"Ach, is het lentefeest geweest?" zei de student, "dat heb ik heelemaal vergeten."
Terwijl hij met zijn kameraden stond te praten, kwam een jong meisje, waar hij veel van hield, voorbij. Ze keek niet naar hem, maar liep met een anderen student te praten, en lachte bizonder vriendelijk tegen hem. Toen herinnerde de student zich op eens, dat hij haar had gevraagd op het lentefeest te komen, opdat hij haar daar zou ontmoeten. En nu was hijzelf niet gekomen! Wat moest ze wel van hem denken!
Hij voelde een steek in 't hart, en wilde haar gauw naloopen. Maar toen zei een van zijn vrienden: "Het is niet goed met Steenberg, dien overblijver, je weet wel. Hij is van avond ziek geworden."
"'t Is toch niet ernstig?" vroeg de student snel.
"'t Was iets aan 't hart. Hij had een leelijken aanval, en het kan ieder oogenblik terugkomen. De dokter dacht, dat hij een of ander verdriet had. Of hij beter worden kan, hangt er van af, of dat verdriet kan worden weggenomen."
Een oogenblik later kwam de student bij den overblijver binnen. Hij lag in bed, heel bleek en zwak, en was nog niet heelemaal hersteld van dien ernstigen aanval.
"Ik ben gekomen, om met je over je boek te spreken," zei de student. "Dat is een uitstekend werk, moet je weten. Ik heb zelden zooiets moois gelezen."
De overblijver ging recht overeind zitten, en keek den student strak aan.
"Waarom deed je zoo vreemd van middag?"
"Ik had het land, omdat ik voor mijn tentamen gedropen was. Ik dacht niet, dat je er zooveel om gaf, hoe ik je boek vond. Ik vond het bizonder mooi."
De zieke zag hem onderzoekend aan, en werd steeds meer overtuigd, dat de student iets voor hem wilde verbergen.
"Dat zeg je nu maar, omdat je hebt gehoord, dat ik ziek was, en je wilt me troosten."
"Neen, zeker niet! 't is een uitstekend werk, daar kun je zeker van zijn."
"Heb je 't wezenlijk niet verscheurd, zooals ik 't je vroeg?"
"Maar ik ben toch zoo dwaas niet, dat ik dat zou doen."
"Haal het dan hier! Laat me zien, dat je 't niet hebt verscheurd, dan zal ik je gelooven," zei de zieke, en zonk weer in 't kussen terug, zoo zwak en mat, dat de student bang was, dat hij een nieuwen aanval kreeg.