't Was vreeselijk! De student voelde zich zoo ellendig. Hij nam de handen van den zieke tusschen de zijne, en vertelde hem, dat zijn handschrift uit het raam was gewaaid; hij zei hem hoe ongelukkig hij dien heelen dag was geweest, omdat hij hem zooveel schade had gedaan.
Toen hij dat alles gezegd had, streelde de zieke zijn hand.
"Je bent goed, heel goed," zei hij. "Maar je hoeft geen verhaaltjes te verzinnen om me te sparen. Ik begrijp heel goed, dat je hebt gedaan, wat ik gezegd heb, en dat je mijn handschrift hebt vernietigd, omdat het niets waard was. En dat wil je nu niet zeggen. Je meent, dat ik het niet kan verdragen."
De student verzekerde en bezwoer hem, dat hij de waarheid had gezegd, maar de andere hield vol, en wilde hem niet gelooven.
"Als je me 't handschrift terug kunt geven, zal ik je gelooven," zei hij.
Hij werd steeds zieker, en eindelijk moest de student wel heengaan, omdat hij zag, dat hij den andere maar erger maakte. Toen hij thuis kwam, voelde hij zich plotseling zoo uitgeput van vermoeidheid, dat hij zich nauwelijks kon voortsleepen. Hij zette thee, en ging toen naar bed. Toen hij de dekens over zich heen trok, dacht hij eraan hoe gelukkig hij zich dien morgen had gevoeld. Nu had hij veel voor zichzelf bedorven, maar dat kon hij wel dragen.
"Het ergste is, dat ik er mijn heele leven aan zal moeten denken, dat ik een mensch ongelukkig heb gemaakt," zei hij.
Hij meende, dat hij dien nacht niet zou hebben kunnen slapen, maar vreemd genoeg, hij sliep in, zoodra hij het hoofd op het kussen had gelegd.
Hij had niet eens den tijd om de lamp uit te doen, die op het nachttafeltje naast zijn bed stond.
HET LENTEFEEST.
Maar nu gebeurde het, terwijl de student insliep, dat een dwergje, met een geel leeren broek aan, een groen vest en een wit puntmutsje op het hoofd, op het dak voor het venster zat, en dacht, dat hij, als hij maar in de plaats van dien jongen student was, die daar in bed lag, al heel gelukkig zou zijn.
Dat Niels Holgersson, die een paar uur geleden had liggen uitrusten op een toef dotterbloemen bij de Ekalsundbaai, nu in Uppsala was, kwam door dat Bataki, de raaf, hem mee had gelokt om op avonturen uit te gaan. De jongen zelf had er niet aan gedacht. Hij had tusschen de bloemen gelegen, en naar de lucht