gekeken, toen hij Bataki zag aankomen tusschen de wegtrekkende wolken door. De jongen had liever voor hem willen wegkruipen, maar Bataki had hem al lang gezien, en een oogenblik later stond hij midden tusschen de dotterbloemen in, en begon een praatje, alsof Duimelot en hij de beste vrienden van de wereld waren.
Hoe somber en plechtig Bataki er ook uitzag, de jongen had wel gemerkt, dat zijn oogen ondeugend schitterden/ Hij had een gevoel gehad, alsof de raaf gekomen was, om hem op een of andere wijze voor den gek te houden, en hij was besloten zich niet te storen aan wat hij zou zeggen.
De raaf had gezegd, dat hij er wel over had gedacht, dat hij Duimelot een vergoeding schuldig was, omdat hij hem niet had kunnen vertellen, waar het broederdeel was, en daarom kwam hij nu om een ander geheim meê te deelen. Bataki wist namelijk hoe iemand, die betoverd was, zooals hij, weer een mensch kon worden.
Dit is zeker, dat de raaf gedacht had, dat de jongen dadelijk op het lokaas zou toebijten, als hij met zóó'n lekker hapje hengelde. Maar de jongen had heel afwijzend geantwoord, dat hij wist, hoe hij weer mensch zou worden. Hij had alleen maar den witten ganzerik ongedeerd eerst naar Lapland en dan naar Skaane te brengen.
"Je weet, dat het niet zoo gemakkelijk is, een ganzerik te behouden en wel door het land te brengen." had Bataki toen gezegd. "Je kon nog wel eens een anderen uitweg noodig hebben, als je dat niet lukte. Maar als je het niet weten wilt, zal ik wel zwijgen."
En toen had de jongen weer gezegd, dat hij er niets tegen had, als Bataki over dat geheim wilde spreken.
"Dat zal ik ook doen," had Bataki verklaard, "maar niet voor het juiste oogenblik is gekomen. Kom op mijn rug zitten, en ga meê op mijn tocht, dan zullen we zien, of er zich niet een geschikt geval kan voordoen."
Toen had de jongen weer geaarzeld, want hij wist niet recht, wat hij aan Bataki had.
"Je durft je niet aan mij toe te vertrouwen," had toen de raaf gezegd.
Maar de jongen kon er niet tegen, dat men hem verdacht ergens bang voor te zijn, en een oogenblik later zat hij op den rug van de raaf.
Toen had Bataki hem naar Uppsala gebracht. Hij had hem op een dag neergezet, en hem verzocht rond te kijken, en hem gevraagd, wie hij wel meende, dat hier in deze stad woonde en regeerde.
De jongen had de stad overzien. Die was tamelijk groot, en lag prachtig midden op een wijde, onbebouwde vlakte. Daar waren veel huizen, die er aanzienlijk en voornaam uitzagen, en op een