bergtop lag een vast gemetseld slot met twee grove torens.
"Misschien wonen de koning en zijn gevolg hier," had hij gezegd.
"Dat is nog niet zoo misgeraden," had de raaf geantwoord.
"Dit is vroeger een koningsstad geweest, maar nu is het uit met die deftigheid."
De jongen had nog eens rondgekeken, en hij had vooral gelet op de groote domkerk, die in de avondschemering lag te schitteren met drie hooge torenspitsen, mooie portalen en versierde muren.
"Misschien wonen daar de bisschop en zijn priesters."
"Dat is nog niet zoo misgeraden," had de raaf geantwoord.
"Hier hebben eens aartsbisschoppen gewoond, die even machtig waren als koningen, en hier woont nu nog een aartsbisschop, maar niet hij is 't, die hier regeert."
"Dan weet ik niet, wat ik bedenken moet," had de jongen gezegd.
"Het is de geleerdheid, die hier in de stad woont en regeert." had de raaf verklaard, en toen hadden ze heen en weer gevlogen en naar de groote huizen gekeken. Hier en daar hadden vensters open gestaan. De jongen kon dan naar binnen kijken, en hij zag, dat de raaf gelijk had.
Bataki had hem de groote bibliotheek laten zien, die van den kelder tot den zolder vol boeken was. Hij had hem naar de statige hoogeschool gebracht, en hem de prachtige voordrachtzalen laten zien. Hij was voorbij een oud gebouw gevlogen, dat Gustavlanum heette, en de jongen had er door de vensters allerlei opgezette dieren gezien. Ze waren gevlogen over de groote kassen, met de vele vreemde planten, en ze hadden op de sterrenwacht neergezien, waar veel sterrenkijkers naar den hemel gericht stonden.
Ze waren ook voorbij veel vensters gevlogen, waar oude heeren met brillen op zaten te lezen of te schrijven in kamers, waar de muren vol boeken stonden, en ze waren voorbij dakkamrtjes gevlogen, waar de studenten op hun sofa's lagen te werken uit dikke boeken.
Eindelijk was de raaf op een dak neergestreken.
"Zie je nu wel, dat het waar is, wat ik zei: dat de geleerdheid hier in de stad regeert?" had hij gezegd, en de jongen had erkend, dat hij gelijk had.
"Als ik geen raaf was," had hij gezegd, "maar een mensch als jij, dan zou ik hier gaan wonen. Ik zou dag in dag uit in een kamer vol boeken zitten, en alles leeren, wat er in stond. Zou je daar ook geen lust in hebben?"
"Neen, ik geloof, dat ik liever met de wilde ganzen zou rondreizen," had de jongen geantwoord.
"Zou je geen lust hebben zoo'n mensch te worden, die ziekten kan genezen?"