Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/289

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"Ja, misschien wel."

"Zou je geen lust hebben zoo'n mensch te worden, die alles weet, wat er in de wereld gebeurd is, die alle talen spreekt, en zeggen kan welke wegen zon, maan en sterren langs den hemel nemen?"

"Ja, dat kon ook wel prettig zijn."

"Zou je niet graag het verschil tusschen goed en kwaad, tusschen recht en onrecht willen weten?"

"Dat zou wel noodig zijn," had de jongen gezegd, "dat heb ik dikwijls gevoeld."

"En zou je niet voor predikant willen leeren, en bij je thuis in de kerk preeken?"

"Vader en Moeder zouden wel erg blij zijn, als ik zoover kwam," had de jongen geantwoord.

Op die manier had de raaf den jongen doen begrijpen, dat zij, die in Uppsala mochten wonen en studeeren, gelukkig waren, maar Duimelot had nog niet gewenscht een van die menschen te zijn.

Maar toen was het gebeurd, dat het groote feest ter eere van de lente, dat ieder jaar in Uppsala gevierd wordt, juist dien avond plaats had.

En zoo had Niels Holgersson de studenten gezien, die optrokken naar den Botanischen Tuin, waar het feest zou gevierd worden. Zij waren aangekomen in een breeden, langen optocht, met witte mutsen op het hoofd, en de heele straat had er uitgezien als een donkere stroom vol witte waterlelies. Witte zijden, met goud geborduurde vaandels hadden ze gedragen, en ze hadden lenteliederen gezongen onder het marcheeren. Maar Niels Holgersson had gevonden, dat he was, alsof ze niet zelf zongen, maar alsof het gezang boven hun hoofden zweefde. Hij vond, dat het was, alsof niet de studenten voor de lente zongen, maar alsof de lente ergens verboorgen zat, en voor de studenten zong. Hij had niet gedacht, dat menschengezang zóó mooi kon klinken. Het was als het suizen in de naalden van de denneboomen, als de klank van staal, als het zingen van wilde zwanen aan den oever van de zee.

Toen de studenten in den tuin waren gekomen, waar de grasvelden in licht, teer lentegroen stonden, en de blaren van de boomen op 't punt waren de knoppen te doen openspringen, waren ze blijven stilstaan voor een spreekgestoelte, en een jonge, deftig uitziende man was daarop geklommen, en had gesproken.

Dat spreekgestoelte was opgericht op de stoep van de groote broeikas, en de raaf had den jongen op het dak van de kas neergezet. Daar had hij rustig gezeten, en de eene toespraak na de andere gehoor. Eindelijk was een oud man op 't spreekgestoelte geklommen. De oude had gezegd, dat het beste in 't leven was: jong te zijn en je jeugd in Uppsala te mogen doorbrengen. Hij had gesproken over het heerlijke, vredige werken in de boeken,