Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/290

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

en de rijke, zonnige, jeugdige vreugde, die nergens zoo goed genoten kon worden, als in den kring van de kameraden. En telkens was hij teruggekomen op het genot, te mogen leven met vroolijke, edelgezinde kameraden. Dit was het, wat de inspanning zoo prettig maakte, het verdriet zoo snel deed vergeten, en de hoop zoo deed schitteren.

De jongen had naar de studenten zitten kijken, die in een halven cirkel onder het spreekgestoelte zaten, en hij begon te begrijpen, dat het heerlijkste in de wereld was tot dien kring te behooren. Dat was een hooge eer, een groot geluk. Ieder van hen werd iets meer, dan hij alleen zou zijn geworden, omdat hij bij zulk een groep menschen hoorde.

Na de toespraak hadden de liederen weer geklonken, en na de liederen waren nieuwe toespraken gekomen. De jongen had nooit gedacht of begrepen, dat woorden zóó bij elkaar konden worden gevoegd, zoodat ze zulk een macht kregen om te ontroeren, op te wekken en blij te maken, als deze toespraken hadden.

Niels Holgersson had het meest naar de studenten gekeken, maar hij merkte wel, dat ze niet alleen in den tuin waren. Er waren daar jonge meisjes in lichte japonnetjes, met mooie zomerhoeden op, en nog vele andere menschen ook. Maar het ging als met hemzelf: ze schenen daar alleen gekomen te zijn, om naar de studenten te zien.

Nu en dan was er pauze tusschen de toespraken en de liederen, en toen had de menigte zich over den heelen tuin verspreid. Maar al gauw was er een nieuwe spreker opgetreden, en dadelijk hadden de hoorders zich weer om hem heen verzameld. En op die manier was het doorgegaan tot den avond.

Toen alles voorbij was, had de jongen diep adem gehaald, en zich de oogen uitgewreven, zooals men doet bij het wakker worden. Hij was in een land geweest, dat hij nog nooit te voren had bezocht. Van al die jonge menschen, die blij waren met het leven, en in de toekomst zagen, met de zekerheid te zullen overwinnen, waren vroolijkheid en geluk uitgegaan over allen, en de jongen was met hen in het land der vreugde geweest. Maar toen het laatste lied was weggestorven, had de jongen gevoeld, hoe droevig zijn eigen leven was, en het had hem tegen de borst gestuit, nu weer naar zijn arme reisgenooten terug te keeren.

De raaf had naast den jongen gezeten, en was toen begonnen in zijn ooren te krassen.

"Nu Duimelot, nu zal ik je zeggen hoe je een mensch kunt worden. Je moet wachten, tot je iemand ontmoet, die tegen je zegt, dat hij graag in jouw schoenen wou staan, en met de wilde ganzen rondreizen. Dan moet je goed oppassen, dat je dit tegen hem zegt:...