De student wilde hem niet storen, zoolang hij at, maar toen het dwergje eindelijk genoeg had, begon hij met hem te praten.
"Halo, jij daar!" zei hij. "Want ben je voor een ventje?"
Het dwergje schrikte op, en sprong naar het venster, maar toen hij merkte, dat de student stil in bed bleef liggen, en hem niet vervolgde, bleef hij staan.
"Ik ben Niels Holgersson van West Vemmenhög," zei hij, "en ik ben een mensch, net als jij. Maar ik ben in een dwerg veranderd, en nu reis ik rond met de wilde ganzen."
"Dat is een zonderling verhaal," zei de student, en begon den jongen te vragen en uit te hooren, tot hij ongeveer alles wist, wat die had beleefd, sinds hij van huis ging.
"Jij hebt het maar goed," zei de student. "Menigeen zou wel in jouw schoenen willen staan, en wegvliegen van alle zorgen en bekommeringen."
Bataki, de raaf, stond buiten op de vensterbank, en toen de student dat zei, pikte hij met den bek tegen het venster. De jongen begreep, dat hij zijn aandacht wilde trekken, zoodat hij niets zou verzuimen, als de student de rechte woorden zou zeggen.
"Och, je zou niet met mij willen ruilen," zei hij. "Wie eenmaal student is, kan toch nooit iets anders willen wezen."
"Dat dacht ik van morgen ook, toen ik wakker werd," zei de student. "Maar je moest maar eens weten, wat mij vandaag is overkomen. Met mij is 't nu uit! 't Was wezenlijk het beste voor me, als ik met de wilde ganzen kon wegvliegen."
De jongen hoorde Bataki aan het venster pikken, en zelf werd hij duizelig en kreeg hartklopping, want nu leek het wel, of de student de juiste woorden zou zeggen.
"Ik heb je nu verteld, hoe 't mij ging," zei hij tegen den student.
"Vertel me nu ook, hoe jij het hebt."
En de student was blij, dat hij een vertrouweling had, en vertelde eerlijk wat hem was gebeurd.
"Dat alles zou nu wel weer overgaan," zei hij eindelijk. "Maar waar ik niet tegen kan — dat is, dat ik een kameraad ongelukkig heb gemaakt. 't Was vele beter voor mij, dat ik in jouw schoenen stond, en met de wilde ganzen mocht rondvliegen."
Bataki pikte hard tegen de ruiten; maar de jongen zat lang zwijgend, recht voor zich uit te kijken.
"Wacht even! Je zult gauw meer van me hooren," zei hij zacht tegen den student, en toen liep hij wat langzaam over de schrijftafel en het venster uit. Juist toen hij op het dak kwam, ging de zon op, en het roode morgenlicht stroomde over Uppsala. Alle daken en torens glansden en glinsterden, en weer moest de jongen erkennen, dat het een vreugdestad was.