"Wat bezielt je toch?" vroeg de raaf. "Nu heb je de gelegenheid laten voorbijgaan om een mensch te worden."
"Met dien student wil ik niet ruilen," zei de jongen. "Dan kreeg ik immers meer verdriet over die weggewaaide papieren."
"Daar hoef je geen zorg over te hebben," zei Bataki. "Die kan ik je terug bezorgen."
"Ik geloof wel, dat je dat kunt," zei de jongen, "maar ik ben er nog niet zoo zeker van, dat je het doen zult. Daar wil ik eerst van overtuigd zijn."
Bataki antwoordde niet. Hij sloeg de vleugels uit, en vloog weg. Kort daarna kwam hij terug met een paar papieren. Hij vloog nu een heel uur lang heen en weer, zoo vlijtig als een zwaluw, die haar nest bouwt, en bracht den jongen het eene blad na het andere.
"Ziezoo, nu geloof ik, dat je zoowat alles hebt," zei hij eindelijk, en ging hijgend op de vensterbank zitten.
"Ik dank je hartelijk," zei de jongen. "Nu zal ik naar binnen gaan, en met den student spreken."
Toen keek Bataki in de kamer, en zag hoe de student de bladen rangschikte en glad streek.
"Jij bent toch de grootste stoffel, die ik ooit gezien heb," stoof Bataki op tegen de jongen. "Heb je nu dat handschrift aan den student gegeven? Dan hoef je niet meer bij hem binnen te gaan. Hij zal nooit meer zeggen, dat hij zoo wil worden als jij."
De jongen stond ook naar den student te zien, die zoo blij was, dat hij in zijn kamertje ronddanste in zijn nachthemd. En toen keek hij naar Bataki.
"Ik begrijp wel, dat je me op de proef hebt willen stellen," zei hij. "Je dacht zeker, dat ik Maarten, den ganzerik, aan zijn lot zou overlaten op die moeielijke reis, zoodra ik het zelf goed zou kunnen krijgen. Maar toen de student mij zijn geschiedenis vertelde, dacht ik er aan, hoe leelijk het toch is een kameraad ontrouw te worden. En dat wou ik niet doen."
Bataki begon zich met den poot in den hals te krabben, en zag er bijna verlegen uit. Hij kwam er niet toe iets te zeggen, maar vloog met den jongen regelrecht naar de wilde ganzen terug.