Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/294

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

XXVIII.

DONSJE.



Niemand kan liever en zachter wezen dan de kleine grauwe gans, Donsje. Alle wilde ganzen hielden veel van haar, en de witte ganzerik zou voor haar door het vuur gaan. Als Donsje ergens om vroeg, kon zelfs Akka niet weigeren.

Donsje had twee zusters: Mooivleugel en Goudoogje. Dat waren sterke en wijze vogels, maar ze hadden niet zoo'n zacht en glanzend veerenkleed als Donsje, en ook niet zoo'n lief en zacht karakter. Al sinds den tijd, dat ze kleine, gele jonge gansjes waren, hadden ook de ouders en familieleden, ja, nu en dan ook de oude visschers duidelijk getoond, dat ze meer van Donsje hielden, dan van hen, en daarom hadden de zusters haar altijd gehaat.

Toen de wilde ganzen op de rots bij Stockholm aankwamen, waar Donsje's familie woonde, liepen Mooivleugel en Goudoogje te grazen op een klein groen plekje bij het strand, en kregen al gauw de vreemdelingen in het oog.

"Kijk eens, zuster Goudoogje, wat komen daar prachtige wilde ganzen op het eiland neer," zei Mooivleugel. "Ik heb zelden vogels gezien met zoo'n sierlijke houding. En zie je wel, dat ze een witten ganzerik bij zich hebben? Heb je ooit een mooier vogel gezien? Je zoudt hem bijna voor een zwaan houden."

Goudoogje gaf haar zuster gelijk, en meende, dat het zeker zeer aanzienlijke vreemdelingen waren, die op het eiland waren gekomen. Maar plotseling viel zij zichzelf in de rede, en riep:

"Zuster Mooivleugel, zuster Mooivleugel! Zie je niet, wie ze bij zich hebben?"

Op datzelfde oogenblik kreeg ook Mooivleugel Donsje in het oog, en was zoo verbaasd, dat ze een heele poos met den snavel open bleef staan, en niets kon dan sissen.

"'t Is toch niet mogelijk, dat zij het is," zei ze eindelijk. "Hoe is ze bij zulk soort volk gekomen. We meenden immers, dat ze zou doodhongeren op Öland."