Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/296

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

goed verborgen en beschutte broeiplaatsen hadden gekozen.

"En, waar zul jij je nu vestigen, Donsje?" vroegen zij.

"Ik?" zei Donsje. "Ik ben niet van plan hier op de klippen te blijven. Ik ga met de wilde ganzen meê naar Lapland."

"Hoe jammer, dat je weer weg moet," zeiden de zusters.

"Ik was graag bij jelui en onze ouders gebleven," zei Donsje.

"Maar ik heb den witten ganzerik al beloofd..."

"Wat!" riep Mooivleugel. "Krijg jij dien mooien, witten ganzerik? Dat is toch..."

Maar Goudoogje stootte haar hard aan, en ze zweeg.

De twee slechte zusters hadden veel om over te praten dien heelen morgen. Ze waren heelemaal buiten zichzelf, dat Donsje zoo'n verloofde had, als de witte ganzerik. Zelf waren ze ook verloofd, maar dat waren gewone grauwe ganzen, en sinds ze Maarten, den ganzerik hadden gezien, vonden ze die zoo leelijk en onbeschaafd, dat ze niet naar hen wilden kijken.

"Daar treur ik me nog dood om," zei Goudoogje. "Als jij het ten minste nog was, die hem kreeg, zuster Mooivleugel."

"Ik zou liever zien, dat hij dood was, dan dat ik er den heelen zomer aan zal moeten denken, dat Donsje een witten ganzerik gekregen heeft," zei Mooivleugel.

De zusters bleven toch heel vriendelijk voor Donsje, en op den middag nam Goudoogje Donsje meê, opdat ze kennis zou maken met hem, met wien Goudoogje zou trouwen.

"Hij is niet zoo mooi als dien jij krijgt," zei ze. "Maar daarentegen weet je ook zeker, wie hij is."

"Wat meen je dan, Goudoogje?" vroeg Donsje.

Eerst wilde Goudoogje niet uitleggen, wat ze bedoelde, maar toen kwam het uit, dat Mooivleugel en zij wel eens zouden willen weten, of alles wel in orde was met dien witten ganzerik. Wij hebben nog nooit een wilde gans met tamme ganzen zien vliegen, en wij zouden wel eens willen weten, of hij niet betooverd is."

"Jelui zijn toch al heel dom," zei Donsje geërgerd. "Hij is immers een tamme gans."

"Hij heeft iemand bij zich, die betooverd is," zei Goudoogje, "en dus kan het ook wel zijn, dat hij zelf betooverd is. Ben je niet bang, dat hij een zwarte zeeraaf is?"

Ze wist haar woorden goed te kiezen, en maakte het arme Donsje bang.

"Je meent niet, wat je zegt," zei het grauwe gansje. "Je wilt me alleen maar bang maken."

"Ik zeg het om je eigen bestwil, Donsje," zei Goudoogje. "Ik kan me niets ergers voorstellen, dan je te zien wegvliegen met een zwarte zeeraaf. Maar ik zal je wat zeggen. Probeer hem over te halen, een paar van de wortels te eten, die ik hier heb uitge-