Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/298

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"Zou je graag willen, dat ik Maarten vroeg, dien vreemden vogel aan te vallen?" vroeg Donsje.

"Ja, dat zou ik zeker!" zei Mooivleugel. "Je kunt mij geen grooter dienst bewijzen."

Den volgenden morgen was de witte ganzerik wakker, vóór de zon opkwam, en ging op de hoogste klip staan uitkijken naar alle kanten. Al gauw zag hij een grooten, donkeren vogel van het westen komen. Zijn vleugels waren reusachtig groot, en 't was gemakkelijk te zien, dat het een arend was. De ganzerik had geen gevaarlijker vijand verwacht dan een uil. En nu begreep hij, dat hij hier niet levend zou afkomen. Maar het kwam niet in hem op den strijd met een vogel, die zooveel sterker was dan hij, te ontwijken.

De arend schoot neer op een meeuw, en sloeg zijn klauwen in het dier.

Eer hij het nog had kunnen oplichten, stoof Maarten, de ganzerik, op hem toe.

"Laat hem los!" riep hij. "En kom hier nooit meer terug! Anders krijg je met mij te doen."

"Wat ben jij voor een dwaas?" zei de arend. "Je treft het, dat ik nooit met ganzen vecht. Anders zou 't gauw met je gedaan zijn."

Maarten, de ganzerik, dacht, dat de arend het beneden zich achtte met hem te vechten, en vloog in drift op hem aan, beet hem in de keel, en sloeg hem met de vleugels. Dat kon de arend natuurlijk niet verdragen. Hij begon te vechten, maar niet met volle kracht.

De jongen lag te slapen op dezelfde plaats als Akka en de wilde ganzen, toen hij Donsje hoorde roepen: "Duimelot! Duimelot! Maarten, de ganzerik, wordt door een arend verscheurd!"

"Neem mij op je rug, Donsje! en breng me bij hem," zei de jongen.

Toen hij bij hem kwam, was Maarten bebloed en gekwetst, maar hij vocht nog. De jongen kon niet met den arend vechten, en er was niets anders op te doen dan beter hulp halen.

"Gauw, Donsje! Roep Akka en de wilde ganzen!" riep hij.

Maar op eens hield de arend met vechten op.

"Wie spreekt daar over Akka?" vroeg hij.

En toen hij nu Duimelot zag, en het gekakel van de wilde ganzen hoorde, sloeg hij de vleugels uit.

"Zeg aan Akka, dat ik niet verwachtte haar, of iemand van haar troep hier aan zee te ontmoeten," zei hij, en zweefde weg in snelle en fraaie vlucht.

"Dat was dezelfde arend, die mij eens bij de wilde ganzen heeft teruggebracht," zei de jongen, en zag hem verwonderd na.

De wilde ganzen waren van plan vroeg van de klippen te vertrekken, maar eerst wilden ze nog wat grazen. Terwijl ze liepen te eten, kwam een bergeend op Donsje af.