"Ik moet je de groeten van je zusters doen," zei ze. "Ze durven zich niet aan de wilde ganzen te vertoonen, maar ze vragen me, je er aan te herinneren, dat je niet van de klippen weggaat, voor je bij den ouden visscher bent geweest."
"Dat is waar ook," zei Donsje.
Maar nu was ze toch zoo bang geworden, dat ze niet alleen wilde gaan. Ze vroeg den ganzerik en Duimelot met haar meè naar de hut te gaan.
Daar stond de deur open. Donsje ging naar binnen, maar de twee anderen bleven buiten. Kort daarna hoorden ze Akka het sein van vertrek geven, en ze riepen Donsje. De grauwe gans kwam uit het hutje, en vloog met de wilde ganzen weg van de klippen.
Ze waren al een vrij groot eind naar zee gevlogen, toen de jongen zich over de grauwe gans begon te verwonderen, die meê vloog. Donsje vloog gewoonlijk zacht en licht. Deze werkte zich voort met zware ruischende vleugelslagen. "Akka, keer om, Akka, keer om!" riep hij snel. "We zijn in verkeerd gezelschap geraakt. Mooivleugel vliegt met ons meê!"
Nauwelijks had hij dat gezegd, of de grauwe gans gaf zoo'n akeligen, boosaardigen schreeuw, dat allen begrepen, wie ze was. Akka en de anderen keerden zich tegen haar, maar de grauwe gans vluchtte niet dadelijk. Zij stormde op den grooten witten ganzerik aan, pakte Duimelot, en vloog met hem in den bek verder voort.
't Werd een felle jacht over de klippenrijen. Mooivleugel vloog snel, maar de wilde ganzen waren vlak op de hielen, en er was geen hoop meer, dat zij zouden kunnen ontkomen.
Op eens zagen zij een beetje witten rook uit de zee opstijgen en het knallen van een schot werd gehoord. In hun ijver hadden ze niet gemerkt, dat ze vlak boven een boot waren gekomen, waarin een eenzamen visscher zat.
Niemand werd door het schot getroffen, maar juist daar, midden boven de boot, deed Mooivleugel den bek open, en liet Duimelot in zee vallen.