Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek erin, en toen nog eens, en ging toen snel een stap achteruit.
"Wat ter wereld is dat, Asbjörn? Hoe heb je die daar te pakken gekregen?" vroeg hij.
Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren spreken van 't kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht niet schreeuwen en niet stout zijn, om 't kleine volkje niet boos te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van 't kleine volkje.
Er zat nog iets van de kinderangst in Klement, want hij voelde een rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de zaak heel ernstig op.
"Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?" vroeg hij.
"Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken," zei Asbjörn. "Hij is bij mij gekomen. Ik was van morgen vroeg uitgezeild, en had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken, toen ik een troep wilde ganzen in 't oog kreeg, die met vervaarlijk geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden, en viel in 't water, zóó dicht bij de boot, dat ik maar de hand had uit te steken om hem te pakken."
"Je hebt hem toch niet geschoten. Asbjörn?"
"O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was."
Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles wat hij als kind had gehoord van 't kleine volkje, van hun wraakzucht tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam weer bij hem boven. 't Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een van hen gevangen had willen houden.
"Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn." zei hij.
"Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen," zei de visscher. "Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen, en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen, maar 't heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels, die geen schot kruid waard zijn, kwamen neerstrijken op de klippen en bliezen; en als ik