Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/306

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

't dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon, maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting.

De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over 't broeden en over 't verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit, niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen.

Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal hag gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag zag zij de arenden niet terugkomen.

"Ik word zeker oud en suf," dacht ze, toen ze een poos op hen had gewacht. "De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn."

Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te zien op de scherpe vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen 's avonds in 't oog te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden, dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn.

Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk, en die uit het arendsnest scheen te komen.

"Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het arendsnest?" dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog, dat ze in het arendsnest kon zien.

Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In 't heele nest lag alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde.

Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was een griezelig oord om te komen. 't Was te zien wat voor roovervolk daar thuis hoorde. In 't nest en op het rotsterras lagen verbleekte beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag, was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp, donzig lichaam en zijn halklare vleugels, waar de aangroeiende pennen als takken van uitstaken.

Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den rand