te geven, en hem zijn wildheid en overmoed af te leeren.
Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou moeten verhongeren.
"Gorgo," zei Akka op een dag tegen hem. "Nu kan ik niet meer bij je komen met visch. Nu moeten we zien of je beneden in 't dal kunt komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in 't dal. Maar ook dàt kan je het leven kosten."
Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit, en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht, maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd op den grond kwam.
Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes, en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij, en als ze in 't meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen.
"Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?" vroeg hij.
"Je hebt te krommen klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je daar boven op de rotsen lag," zei Akka. "Maar wees daar maar niet bedroef om. Je zult nog best een flinke vogel worden."
Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht, dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch allerlei op, wat hem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen.
"Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op de rotsen zien?" vroeg hij. "Ze zijn niet zoo bang voor de andere jonge ganzen."
"Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde," zei Akka. "Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar niet bedroef om. Je zult toch wel een flinke vogel worden."