Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/311

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

en had er geen besef meer van, hoe de dagen voorbijgingen.

Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig, dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten.

"Wie roept me daar?" vroeg hij.

"Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde ganzen rondvloog."

"Is Akka ook gevangen?" vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap.

"Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker behouden en wel in Lapland op het oogenblik," zei de jongen.

"Ik alleen zit hier gevangen."

Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger.

"Koningsarend!" riep de jongen. "Ik heb nog niet vergeten, dat je me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven van de witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een of andere manier kan helpen!"

Gorgo hief nauwelijks het hoofd op.

"Stoor me niet, Duimelot!" zei hij. "Ik zat te droomen, dat ik vrij rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen."

"Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt," vermaande de jongen. "Anders zul je er gauw even ellendig uitzien, als de andere arenden."

"Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen, dat niets hen meer kan storen," zei de arend.

Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen, maar Gorgo werd wakker.

"Wie is daar? Wie beweegt zich daar op het dak?" vroeg hij.

"'t Is Duimelot, Gorgo,' antwoordde de jongen. "Ik zit hier het staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen."

De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid weer de overhand.

"Ik ben een groote vogel, Duimelot," zei hij. "Hoe zou je zooveel draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. 't Is beter, dat je met dat werk ophoudt, en me met rust laat."

"Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij," antwoordde de jongen.

"Ik kom van nacht niet klaar en ook morgen niet, maar ik wil toch probeeren je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben."