Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden waren doorgevijld. Dien dag, voelde hij zich niet zoo dof als den vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen.
Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den hemel was te zien, wekte Duimelot den arend.
"Probeer het nu, Gorgo," zei hij.
De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld, dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig naar buiten in de vrije lucht.
Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven.
De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren, die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was, en dat 't hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten, den ganzerik, en de andere reisgenooten.
"Was ik maar niet door mijn belofte gebonden," dacht hij, "dan zou ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou."
't Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen, om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen, en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen Laplander om hulp te vragen.
"Een van 't kleine volkje woont hier op de Schans," had hij gezegd, "en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen, die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen, en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit Bollnäs te zetten?"
De jongen keen verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te verklaren, want hij moest naar de trein.
De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, om