een schotel te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist, dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan.
Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren, als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden, het veld stond groen, berken en populieren waren met bladeren als van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen — ja, alle mogelijke vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladeren los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans.
"Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn," dacht de jongen. "Ik zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo'n mooien morgen. 't Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden, en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en getooide met groen gras en mooie bloemen."
Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi.
"Ik wilde mijn vleugels probeeren om te zien, of ze nog goed waren," zei Gorgo. "Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je reisgenooten terugbrengen."
"Neen, dat is onmogelijk!" zei de jongen. "Ik heb mijn woord gegeven, dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan."
"Wat vertel je toch voor onzin," zei Gorgo. "Eerst hebben ze je tegen je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo'n belofte niet hoeft na te komen."
"Ja, dat moet ik toch," zei de jongen. "Ik dank je wel, want je meent het goed, maar je kunt me niet helpen."
"Zoo, kan ik dat niet?" zei Gorgo. "Dat zul je eens zien." En meteen pakte hij Niels Holgersson beet met zijn grooten klauwen, vloog met hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting van het noorden.