je te vragen, of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden."
Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. "Ik zou je heel graag helpen met wat je me vraagt," zei hij, "maar ik ben door mijn belofte gebonden."
En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten zonder hem zijn vrijheid te geven.
Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven.
"Luister nu, Duimelot!" zei hij. "Mijn vleugels kunnen je brengen waar je ook wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je de vrijheid teruggeeft."
Dat vond de jongen een goed voorstel.
"Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo'n wijzen vogel als Akka tot pleegmoeder hebt gehad," zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde.
"We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Meilammeer, van den grooten berg tot Horsland," zei de arend.
"En morgen zul je met den man kunnen spreken."
"Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden," zei de jongen.
"Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon," antwoordde Gorgo.
Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede vrinden, en de jongen reed op den rug van den arend.
Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden gereisd, streek Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen de jongen op 't veld was neergesprongen, zei de arend:
"Hier is wild in 't bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten, en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Je bent toch niet bang, als ik je hier alleen laat?"
"O neen," zei de jongen.
"Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang terug ben," zei de arend, en vloog weg.
De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen, die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een heelen optocht van menschen