Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/318

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

En ze voelden zich verbazend gewichtig.

Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden zouden. 't Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een bosch zouden planten, maar 't zou toch wel aardig wezen te zien, hoe 't ging.

En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar 't bosch. Toen ze op den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren.

"Gaan jelui naar de brandplaats?"

"Ja."

"Om naar de kinderen te kijken?"

"Ja, om te zien hoe ze zich redden."

"Dat wordt toch maar een spelletje."

"Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen."

"We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen, want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen."

Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten, hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden, en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen, en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken.

Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid uit te trekken. Maar zoo'n beetje voor de grap. De kinderen waren de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen Vader en Moeder, hoe ze moesten doen.

En nu ging 't zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar de kinderen te kijken, aan 't werk gingen meêdoen. En na een poosje kregen de kinderen nog meer hulp.

Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen: "Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?"

"O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan 't boomen planten!"

Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in 't voorjaar te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen, maar dit was nog uitlokkender.