Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/320

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

XXXII.

EEN DAG IN HÄLSINGLAND.



EEN GROOT GROEN BLAD.

Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof aan de hagen, nieuw graan op de velde en pas opgekomen koren op de akkers. 't Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang.

"Dit land lijkt wel een blad," dacht de jongen. "Want het is zoo groen, en de dalen loopen erover, ongeveer op dezelfde manier als de nerven over een blad."

't Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal naar hem uitkeek.

Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug, liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand, hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de dieren waren vroolijk alsof zij een recht prettigen dag verwachtten.

Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien dat geen enkel dier van den rechten weg afweek. 't Allerlaatste kwam de boer en zijn knecht. Ze liepen naast de kar, om te