't Paard gaf hem intusschen nieuwe zorgen. Het wilde niet meer, het zette de hoeven vast op den grond, en spartelde tegen.
Toen werd de proost eindelijk boos. Hij sloeg dat paard nooit, en wilde dat ook nu niet doen. Hij wierp de teugels neer, en liep van het dier weg.
"We moeten hier wel van elkaar gaan, nu jij je eigen weg wilt gaan," zei hij.
Nauwlijks had hij een paar stappen gedaan, of het paard liep hem na, pakte hem voorzichtig bij de mouw van zijn jas, en trachtte hem tegen te houden. De proost keerde zich toen om, en zag het paard in de oogen, als om uit te vorschen, waarom het zich zoo wonderlijk gedroeg.
Later kon de proost het niet best begrijpen, hoe het mogelijk geweest was, maar zeker is het, dat hij, hoe donker het ook was, het gezicht van het paard heel duidelijk zag, en er op kon lezen, alsof het dat van een mensch was. Hij begreep, dat het dier in vreeselijken angst en onrust was. Het sloeg een blik naar hem op, die smeekend en verwijtend was.
"Ik heb je gediend, en dag aan dag gedaan, wat je wilde," scheen het te zeggen. "Zou je nu dezen éénen nacht niet met me meê kunnen gaan?"
De proost werd aangedaan door dat smeeken in de oogen van het dier. 't Was duidelijk, dat het paard zijn hulp noodig had op een of andere manier, en daar hij een dapper man was, besloot hij dadelijk meê te gaan. Zonder verder aarzelen leidde hij het dier naar een steen, om weer op te kunnen stijgen.
"Ga je gang maar," zei hij. "Ik zal je niet alleen laten, nu je me meê wilt hebben. Niemand zal van den proost in Delsbo kunnen zeggen, dat hij weigerde iemand te volgen, die in nood was."
Van nu af liet hij het paard gaan, waarheen het wilde, en dacht er alleen aan, hoe hij in het zadel zou blijven zitten. 't Werd een gevaarlijke en moeilijke tocht, en 't ging bijna den heelen tijd naar boven. 't Bosch stond zoo dicht om hem heen, dat hij geen twee stappen voor zich uit kon zien, maar het kwam hem voor, dat ze een hoogen berg beklommen. Het paard werkte zich op langs steile hellingen. Als de predikant zelf de teugels had bestuurd, zou hij het nooit in de gedachten hebben gerkegen, een paard over zoo'n terrein te laten loopen.
"Je ben toch zeker niet van plan naar de Blacksbergvlakte te gaan," zei de proost, en hij lachte daarbij zoowat, want hij wist, dat de Blacksbergvlakte een van de hoogste punten van Hälsingland was.
Onder 't rijden begon de proost te merken, dat hij en 't paard niet de eenigen waren, die in den nacht op reis waren. Hij hoorde steenen rollen en takken kraken. Het klonk, alsof groote dieren