Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/327

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

plaats, heel tot den zoom van 't bosch speelden vossen, wezels en boschmarters, die allen klein en bijzonder sierlijk van gestalte waren, maar die er nog wilder en bloeddorstiger uitzagen dan de groote dieren.

Dit alles zag de proost heel goed, omdat de heele plaats verlicht was. Op den hoogen steen in het midden stond namelijk de boschfee, en hield een dennefakkel in de hand, die met een groote, roode vlam brandde. De fee was zoo groot als de hoogste boom in 't bosch, en had een mantel van sparretakken aan en sparrenappels in 't haar. Ze stond doodstil met het gezicht naar het bosch. Ze keek uit, en luisterde.

Hoewel de proost alles heel duidelijk zag, was hij zoo verbaasd, dat hij er zich als 't ware tegen wilde verzetten, en zijn eigen oogen niet kon gelooven.

"Dit is immers volkomen onmogelijk!" dacht hij. "Ik heb zeker te lang in 't donkere bosch gereden. 't Is mijn verbeelding, die me de baas is geworden."

Maar toch lette hij met de grootste belangstelling op alles, en hij was benieuwd, wat hij te zien zou krijgen, en wat er gebeuren zou.

Hij behoefde niet lang te wachten, voor er beneden uit het bosch een klein bengelend belletje klonk. En dadelijk daarop hoorde hij 't gedruisch van stappen en van brekende takken, alsof een menigte dieren zich door een woest veld baan braken.

't Was een groote schare huisdieren, die den berg opkwamen. Ze trokken voort uit het bosch in dezelfde volgorde, alsof ze op weg naar de zomerwei waren. Vooraan liep de koe met de klok om, dan de stier, daarachter de andere koeien en daarna 't jonge vee en de kalven. De schapen volgden dan in een dichte kudde; dan kwamen de geiten, en 't laatst een paar paarden een een veulen. De herdershond liep naast de kudde, maar noch de veehoedster, noch de herdersjongen waren erbij. De proost vond, dat het hartverscheurend was, al die tamme dieren regelrecht op de wilde beesten te zien aanloopen. Hij had wel voor hen willen gaan staan, en roepen, dat ze moesten stilstaan, maar hij begreep wel, dat het niet in de macht van eenig mensch stond, den optocht van het vee dien nacht tegen te houden. En hij hield zich stil.

't Was duidelijk te zien, dat de tamme dieren leden onder wat zij te gemoet gingen. Ze zagen er ellendig en angstig uit. Zelfs de koe, die de klok droeg, liep voort met aarzelende stappen en hangenden kop. De geiten hadden geen lust te stooten of te spelen. De paarden probeerden zich flink te houden, maar hun heele lichaam beefde van angst. 't Allerakeligst zag de herdershond eruit. Die hield den staart tusschen de pooten, en sleepte het lichaam bijna over den grond.

De koe met de klok leidde den optocht tot heel bij de boschfee,