De prachtige kudde uit de pastorie kwam in een langen optocht uit het bosch en ging op de boschfee en de wilde dieren toe. De laatste in de rij was het paard, dat zijn meester naar de Blackbergsvlakte had gebracht. De proost was niet afgestegen, maar bleef zitten, en liet zich door het dier naar de boschfee dragen.
Hij had geen geweer of mes om zich mee te verdedigen, maar hij had zijn misboek voor den dag gehaald, en hield dat tegen zijn borst gedrukt, nu hij in den strijd met dat booze ging.
In 't begin was het, alsof niemand hem opmerkte. De kudde uit de pastorie liep voorbij de boschfee op dezelfde manier als alle andere troepen. De boschfee liet haar fakkel niet dalen over een van de dieren. Eerst toen het schrandere paard kwam, maakte ze een beweging, als om dat aan te wijzen voor den dood.
Maar op dat zelfde oogenblik hield de proost het misboek vooruit. En de schijn van de fakkel viel op het kruis op den band. De boschfee gaf een luiden, doordringenden gil, en de fakkel viel uit haar hand op den grond.
De vlam ging dadelijk uit, en in den plotselingen overgang van licht naar donker kon de proost niets zien. Hij hoorde ook niets. Om hem heen heerschte dezelfde diepe stilte, die 's winters gewoonlijk op 't woeste veld rust.
Toen gleden de zware wolken, die den hemel bedekten, plotseling van elkaar, en in de spleet trad de volle maan te voorschijn, en wierp haar licht over 't veld. En nu zag de proost, dat hij met zijn paard alleen op den top van de Blacksbergvlakte stond. Geen enkele van de wilde dieren was er meer. De grond was niet vastgetrapt door alle kudden, die erover geloopen hadden. Maar zelf zat hij met zijn misboek voor zich uit, en zijn paard stond te beven, en was met zweet bedekt.
Toen de proost den berg was afgereden, en thuis kwam in de pastorie, wist hij niet meer of 't een droom, een visioen of werkelijkheid was geweest, wat hij dien nacht had gezien. Maar dat het een vermaning voor hem was om aan de arme dieren te denken, die in de nacht van de wilde beesten waren, dàt had hij begrepen. En hij preekte zoo krachtig voor de boeren in Delsbo, dat in zijn tijd alle beren en wolven in zijn gemeente werden uitgeroeid, hoewel ze toch schijnen te zijn teruggekomen, nadat hij weg was."
Hier eindigde Bernhard zijn verhaal. Hij werd van alle kanten zeer geprezen, en het scheen al uitgemaakt, dat hij den prijs moest hebben. De meesten vonden 't bijna jammer voor Klement, dat hij met hem om den prijs dingen moest.
Maar Klement begon onvervaard te vertellen. "Op een dag liep ik op de Schans, en verlangde naar huis," zei hij. En toen vertelde hij van het dwergje, dat hij had vrijgekocht, opdat het