niet in een kooi zou komen, en door de menschen worden aangegaapt. En hij sprak er verder over, dat hij nauwlijks die goede daad had gedaan, of hij werd er voor beloond. Hij sprak door, en de verbazing van zijn toehoorders werd steeds grooter. En toen hij eindelijk kwam aan den koninklijken lakei en 't mooie boek, hadden alle veehoedsters haar handwerk op haar schoot laten glijden, en zaten onbewegelijk naar Klement te kijken, die zulke merkwaardige gebeurtenissen had beleefd.
Zoodra Klement zijn verhaal had geëindigd, zei de oudste veehoedster, dat hij den halsdoek krijgen zou: "Bernhard heeft maar iets verteld, dat een ander is overkomen," zei ze. "Maar Klement heeft zelf een echt verhaal beleefd, en dat is nog meer waard, vind ik."
Dat waren allen met haar eens. Zij zagen Klement met heel andere oogen aan dan vroeger, nu ze gehoord hadden, hoe hij met den koning had gesproken, en de kleine speelman durfde niet toonen, hoe trotsch hij daarop was. Maar midden in dit groote geluk vroeg een van hen, wat hij met het dwergje had gedaan.
"Ik heb niet zelf een blauwen schotel voor hem kunnen neerzetten," zei Klement. "Maar ik heb aan den Laplandschen jongen gevraagd het te doen. Waar hij gebleven is, weet ik niet."
Nauwelijks had Klement dat gezegd, of een kleine denneappel kwam aanvliegen, precies op zijn neus. Die kwam niet uit de boomen, en geen van de menschen had hem gegooid. 't Was onmogelijk te begrijpen, waar die van daan kwam.
"O wee! Klement!" zeide de veehoedster. "'t Lijkt wel of 't kleine volkje hooren kan, wat we hier zeggen. Je hadt toch niet aan een ander moeten oeverlaten den blauwen schoten buiten te zetten."