XXXIII.
EEN MORGEN IN ANGERMANLAND.
HET BROOD.
Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zijn te krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg.
Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn wit brood uit, en begon te eten.
"Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd," dacht hij. "'t Is zeker, omdat ik het op zoo'n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel van houd."
Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen, of de jongen had een rivierdal in 't oog gekregen, zóó statig, dat het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien.
Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er over geklaagd, dat hij zoo'n honger had. Hij had in twee dagen al niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld.
Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisden, en hij had dadelijk zijn vaart vertraagd.
"Waarom heb je dat niet eerder gezegd?" had hij gevraagd.
"Je kunt zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden, als je een arend tot reisgenoot hebt."
Dadelijk daarop had de arend een boer in 't oog gekregen, die een akker liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg koren in een mand, die hij voor de borst had