hangen, en telkens als die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de mand neergedaald.
Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk leven om hen heen ontstaan. 't Waren kraaien, musschen en zwaluwen, die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de arend van plan was op een vogel neer te schieten.
"Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!" riepen we.
En ze hadden zoo'n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de jongen had geen korrel gekregen.
't Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo's. En de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand.
En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op 't veld had willen neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zóó gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen.
Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou.
De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in de hoogte gevlogen.
Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd opgeheven, en hem met de oogen gevolgd.
"Wat deed die vreemd," had ze gezegd. "Ik geloof, dat hij een van mijn weitebroodjes wilde hebben."
't Was zoo'n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat genomen en 't boven haar hoofd gehouden.
"Kom 't maar halen, als je 't hebben wilt," riep ze.
De arend had haar woorden niet verstaan, maar hij had toch dadelijk begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. In