Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/333

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

vliegende vaart was hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de lucht ingevlogen.

Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte, had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te lijden, maar 't had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan den wilden roofvogel had gegeven.

En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood omhoog hield. Zij had 't zeker wel geweten, dat de groote vogel een koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg gezien, dien hij op zijn rug had; maar ze had er niet over gedacht, wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze haar goed brood met hen gedeeld.

"Als ik ooit weer een mensch word," had de jongen gedacht, "zal ik die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat ze zoo goed voor ons was."



DE BOSCHBRAND.

Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste bosch, maar 't kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken.

't Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze bosschen waren. Maar dat was toch zeker 't meest in den herfst en in den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren.

De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen bergrug. 't Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmigelijk op zoo'n grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand.