den den, ging op de punt van een tak zitten, en keek naar de brandende boschheuvels, met zijn glanzende oogen. Vlak naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien.
Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den eenen boom op den anderen sloegen. Eer een den vlam vatte, werd hij eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden.
Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet.
Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond, en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand de bergvlakte op.
Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar beneden uit den boom. 't Zou zeker niet lang meer duren, voor 't vuur in den dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. 't Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. 't Vuur sloeg als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen.
Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan, om den brand te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, vanzaar de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond, en trokken het heikruid uit,