opdat het vuur niet in de kleine takjes zou kunnen voortkruipen.
Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door, zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze stonden met groote dennetakken, die ze in 't water hadden gedoopt, en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren niet zoo heel veel menschen. 't Was merkwaardig hen daar te zien staan, klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte.
Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den muur van loofboomen te springen om den andere oever te bereiken, zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit, alsof ze 't niet uit konden houden. Maar 't werd geen lange vlucht; ze keerden weer om.
De boschbrand liep storm met vreeslijke kracht. De vonken stoven als een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit den rook, alsof ze het bosch aan den anderen kant naar zich toe zoog.
Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen. Waar het vuur door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken, en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen, dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand verder vooruit zou dringen.
Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van 't vuur, en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook roop wit en zacht over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat was alles wat van het mooie bosch was overgebleven.
De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het vuur gebluscht werd. Maar nu 't bosch gered was, begon 't gevaar voor hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem.
Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de koningsarend, suisde neer door 't bosch. En spoedig zweefde de jongen boven in de wolken, ver van alle gevaar.