booneranken, groote witte margrieten, en een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken, eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg, fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien, witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes.
Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende boomen, tamme en wilde dieren liepen om 't hardst, en daartusschen door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen, weer andere met jachtgeweren of met vischnetten.
De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet, nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend hoofd, met haar van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van vroolijkheid en van goedheid glansde.
"Vooruit," riep ze onophoudelijk. "Niemand hoeft bang te wezen, als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!"
"Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen." zei de jongen in zichzelf. Maar de roggeaar, die naast hem liep, had die woorden gehoord, en antwoordde duidelijk: "Ze wil ons naar Lapland brengen, naar den grooten versteener."
De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden, langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag dat de groote beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen, en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, die kastanjes en de patrijzen.
Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen achterbleven. Toen mertke hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was, maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren.
Hier begon de eik langzamer te loopen, en scheen vezwaren te hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen, en stond toen heelemaal stil.
"Waarom gaat de eik niet verder meê?" vroeg de jongen.
"Hij is bang voor den grooten versteener," zei een jonge lichte berk, die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien.
Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds voor den stoet uit, lachte, en riep: "Vooruit, vooruit! niemand hoeft bang te wezen, zoolang ik erbij ben!"