Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/344

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

kinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hij verweg in vreemde landen geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt, dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten.

De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon 't toch niet geweest zijn, maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk was het stil en treurig in de hut geworden. 't Was of daar elken dag een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden, maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken, en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het hoofd in de handen te peinzen. Op een keer — dat waas na de derde begrafenis — was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij, waarom er zoo'n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers een goede daad gedaan door de zieke te helpen!

Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had hem niet tot rust kunnen brengen, zooals ze zelf was.

Een paar dagen later was het uit met Vader. Maar hij was niet gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek geworden, en van haar had Vader altijd 't meest gehouden. En toen hij zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder had niet anders gezegd, dan dat het 't beste was voor Vader, dat hij weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij tobde er over, zoodat hij op 't punt was zijn verstand te verliezen, hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte.

Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In 't begin had hij hun geld gestuurd, maar daarna was 't hem zeker slecht gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werg gekregen aan de suikerfabriek van Jorberga. Moeder was een goede werkster geweest, en was