Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/95

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

87

Dien dag was het volkomen stil en warm als op een zomerdag, het beste weer, dat men zich voor een zeereis denken kan. Het eenige, wat een beetje onrust gaf, was dat het niet heelemaal helder was; de hemel was grijs en gedekt. Hier en daar dreven geweldige wolkenmassa's, die tot aan den horizon neerhingen, en 't uitzicht verhinderden.

Toen de reizigers buiten de klippen waren gekomen, strekte de zee zich zoo effen en spiegelglad uit, dat de jongen, toen hij naar beneden keek, meende, dat het water verdwenen was. Er was geen aarde meer onder hem, hij had niets dan lucht en wolken om zich heen. Hij werd heelemaal duizelig, en klemde zich nog angstiger aan den ganzenrug vast, dan hij den eersten keer had gedaan. 't Was, alsof hij zich onmogelijk vast zou kunnen houden, maar den een of anderen kant uit vallen moest.

't Werd nog erger, toen ze aan den grooten vogelstoet kwamen, waarvan de grijze gans had gesproken. Werkelijk kwam de eene vlucht na de andere aanvliegen, allen in dezelfde richting. 't Was als volgden ze een gebaanden weg. 't Waren eenden en grijze ganzen, zwarte waterhoenders en duikerhoenders, duikeleenden en pijlstaarten, duikelganzen en zilverhoenders, strandekster en waterhoenders. Maar toen nu de jongen zich vooroverboof, en dien kan uitkeek, zag hij den heelen vogelstoet spiegelen in het water. Hij was zoo soezig, dat hij niet begreep hoe dat kwam; hij meende, dat alle vogels met den buik naar boven vlogen. Hij was daar toch niet erg verbaasd over, want hij wist zelf niet wat boven en wat beneden was.

De vogels waren heel moe, en verlangden verder te komen. Niemand van hen schreeuwde, of zei een grappig woordje, en dat maakte, dat alles er zoo wonderlijk onwerkelijk uitzag.

"Stel je voor, dat we van de aarde weggevlogen zijn!" zei hij in zichzelf. "Stel je voor, dat we bezig zijn naar den hemel te gaan!"

Hij zag niets dan wolken en vogels om zich heen, en hij begon het waarschijnlijk te vinden, dat ze naar den hemel vlogen. Hij werd blij, en vroeg zich af, wat hij daar wel te zien zou krijgen. De duizeligheid ging op eens over. Hij vond het zoo heerlijk te denken dat hij naar den hemel ging, en de aarde verliet.

Maar op een hoorde hij een paar knallende schoten, en zag eenige witte rookzuiltjes opstijgen.

Onder de vogels ontstond onrust en rumoer.

"Schutters! Schutters! Schutters in booten!" riepen ze. "Vlieg hoog! Vlieg weg!"

Toen zag de jongen eindelijk, dat ze nog steeds over de zee vlogen, en dat ze in 't geheel niet in den hemel waren. Kleine booten lagen in een lange rij, en ze waren vol schutters, die schot