88
op schot losten. De eerste groepen vogels hadden hen niet bijtijds gemerkt. Ze hadden te laag gevlogen. Verscheidene donkere lichamen zonken neer in zee, en bij elk, die viel, hoeven de levende lange jammerkreten aan.
't Was vreemd voor hem, die zich zoo pas ver in den hemel droomde, met zulk een schrik en ellende weer tot zichzelf te komen. Akka schoot omhoog zoo snel ze kon, en daarna vloog de troep weg met de grootst mogelijke snelheid. De wilde ganzen kwamen dan ook ongedeerd weg, maar de jongen kon maar niet van zijn verbazing bekomen. Stel je voor, dat iemand kon schieten op Akka, en Yksi en Kaksi! Op den ganzerik en de anderen! De menschen hadden toch geen begrip van wat ze deden!
Zoo ging de toch weer voort door de stille lucht, en alles was doodstil als te voren; alleen enkele afgematte vogels riepen nu en dan: "Zijn we er gauw? Weet jelui wel zeker, dat we op den goeden weg zijn?"
En dan antwoordden zij, die vooraan vlogen: "We vliegen recht op Öland aan, recht op Öland!"
De wilde eenden waren moe, en de duikeleenden draaiden om hen heen.
"Haast je zoo niet!" riepen de eenden toen. "Jelui eet alles op, voor wij er aan toe zijn!"
"Er is genoeg voor jelui en voor ons," antwoordden de duikeleenden.
Eer ze nog zoover gekomen waren, dat ze Öland zagen, kwam een flauw windje hun tegemoet. Dat bracht iets meê, dat op geweldige massa's witte rook leek, alsof er ergens een groote brand was.
Toen de vogels de eerste witte warrelwolken zagen aanrollen, werden ze bang, en vlogen sneller. Maar dat witte, dat op rook leek, stroomde al dichter voort, en eindelijk omringde het hen heelemaal. Het had geen scherpe licht, het was niet donker en droog, maar wit en vochtig. De jongen begreep al gauw, dat het niet anders dan mist was.
Toen de mist zoo dicht was, dat men geen stap voor zich uit kon zien, begonnen de vogels zich aan te stellen als echte dwazen. Allen, die tot nu toe zoo ordelijk hadden meêgevlogen, begonnen in den mist te spelen. Zij vlogen heen en weer om elkaar in de war te brengen. "Pas op!" riepen zij. "Jelui vliegen maar aldoor in de rondte! Keer toch in 's hemels naam om! Zoo komen jelui nooit op Öland."
Allen wisten heel goed, waar het lag, maar ze deden hun best elkaar het spoor bijster te maken. "Kijk nu die pijlstaarten eens!" klonk het in den nevel. "Jullie gaan naar de Noordzee terug!"