Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/97

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

89

"Pas op, grijze ganzen!" riep iemand van een anderen kant, "als jullie zoo voortgaat, kom je nog in Rügen!"

Er was, zooals we al zeiden, geen gevaar, dat de vogels, die gewoon waren dezen weg te nemen, zich den verkeerden kant uiz ouden lokken. Maar zij, die 't moeilijk hadden —dàt waren de wilde ganzen. De boosdoeners merkten, dat ze niet zeker van den weg waren, en deden àl wat zij konden om hen in de war te brengen.

"Waar moet jelui heen, vrienden?" riep een zwaan. Hij kwam recht op Akka af, en zag er medelijdend en ernstig uit.

"Wij moeten naar Öland, maar we zijn er nog nooit geweest," zei Akka. Ze meende, dat dit een vogel was om op te vertrouwen.

"Dat is toch te erg," zei de zwaan. "Dan hebben ze jelui in de war gebracht. Je bent op weg naar Bleking. Kom nu meê, ik zal je weer in de goede richting brengen."

En toen vloog hij met hen weg. En toen hij hen zoo ver van den grooten trekweg gebracht had, dat zij geen roepen meer hoorden, verdween hij in de mist.

Nu vlogen ze een poos op goed geluk rond. Nauwlijks was het hun gelukt de vogels terug te vinden, of een eend kwam op hen aan.

"'t Is het beste, dat jelui op het water gaat liggen, tot de mist is opgetrokken," zei de eend. "Men kan wel zien, dat jelui niet aan 't reizen gewend zijn."

't Scheelde niet veel, of de rekels hadden Akka suf gemaakt. Voor zoover de jongen 't begreep, vlogen de wilde ganzen lang in een kring rond.

"Pas toch op! Zie jelui niet, dat jelui op en neer vliegt," riep een duikeleend, terwijl hij hen vlug voorbij vloog. De jongen greep onwillekeurig den ganzerik om den hals. Daar was hij nu aldoor bang voor geweest. Niemand kan zeggen, hoe ze vooruit zouden zijn gekomen, als ze niet een dof rollend schot hadden gehoord, heel in de verte.

Toen strekte Akka den hals uit, klapwiekte luid, en vloog voort in een vliegende vaart. De grijze eenden hadden haar juist gezegd dat zij niet moesten neerstrijken op de zuidelijke spits van Öland, omdat daar een groot kanon stond, waarmeê de menschen gewoon waren op den nevel te schieten.

Nu kende zij de richting, en nu zou niemand in de wereld er haar meer van afbrengen.