Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/99

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

91

kiezen, zou hij er nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen, maar 't meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten zich aan larven, die daar in eindelooze massa's wezen moesten, want nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel.

Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: "Zijn jelui nu klaar? dan gaan we verder."

"Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg," zei zijn reisgezelschap.

"Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?" zei de leider, klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens, dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om meê te gaan.

Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op 't water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet klonken.

Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen, ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde zwanen van dichtbij gezien.

Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam.

De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken, vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden.

Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet, die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde.