Pagina:Longinus - Over de verhevenheid.pdf/22

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


naar de grootheid des onderwerps schraal en onbeduidend is, en, de gewigtigste zaken slechts even aanroerende, den lezeren weinig nuts kan aanbrengen; iets, naar ’t welk een schrijver bovenal behoort te streven. Bovendien merkten wij op, dat Cecilius slechts ten deele voldaan heeft aan die vereischten, welke in iedere verhandeling over eenige kunst moeten plaats hebben. Immers behoort daartoe, vooreerst, dat men het onderwerp naar eisch verklare; ten andere, dat men de middelen aanwijze, door welke men zich eene kunst kan eigen maken; welk laatste, schoon het tweede in rang, nogtans als het eerste in belangrijkheid beschouwd moet worden. Nu tracht Cecilius ons, als onkundigen, den aard van het verhevene wel door eene menigte van voorbeelden te doen kennen; dan de aanwijzing der middelen, door welke wij onzen geest tot eenigen trap van verhevenheid kunnen opvoeren, heeft hij (om welke reden is mij onbekend) als noodeloos voorbijgegaan. Maar misschien is deze schrijver minder te berispen om het gebrekkige van zijn werk, dan om de onderneming zelve en zijnen betoonden ijver te prijzen[1]. — Door u aangespoord, om ten uwen gevalle ook

  1. Cecilius namelijk schijnt, volgens de aanmerking van Toup, het eerst over de verhevenheid geschreven te hebben.